„MIJN GELOOFSGEBOUW STORTTE IN“

Barbara
Ik groeide als enig kind van katholieke ouders op een boerderij in het Allgäu op. Op zondag gingen we regelmatig naar de kerk. Ik geloofde in God. Op mijn 21e trouwde ik en namen we de boerderij van mijn ouders over. God schonk ons drie kinderen. Toen begon mijn man te drinken. Daardoor werd hij agressief en gewelddadig. Mijn leven bestond uiteindelijk alleen nog maar uit hard werken en teleurstellingen. Elke dag bad ik de rozenkrans om hulp van Maria te krijgen. Toch kreeg ik al snel last van ernstige depressies.
Op een dag kwam mijn neef met zijn vrouw bij me op bezoek. Ze vertelden me vol vreugde over hun nieuwe geloof in Gods Woord. Ze waren adventisten geworden. Het was duidelijk dat ze veranderd waren. Ze hadden iets wat ik miste. Aan het einde van hun bezoek baden ze samen met mij. Dat maakte indruk op me. Kort daarna gaven ze me een Bijbel cadeau. Helaas begreep ik toen nog niet welke schatten er in dit boek verborgen lagen.
Korte tijd later moest ik vanwege een zenuwinzinking naar het ziekenhuis. Ik zag geen zin meer in het leven en dacht aan zelfmoord. Maar de verantwoordelijkheid voor mijn kinderen hield me in leven. In de ziekenhuiskamer lag een Nieuw Testament met de Psalmen. In mijn wanhoop las ik daarin. Psalm 34:19 was als balsem voor mijn ziel. Voor het eerst voelde ik dat God tot mij sprak. Zo vertrouwde ik op Zijn Woord.
Vanaf dat moment veranderde er veel. God schonk me weer kracht en moed om verder te leven. Inmiddels was mijn huwelijk ontbonden. Ik las vaak in de Bijbel en had veel vragen. Mijn neef vroeg de predikant van de nabijgelegen Adventgemeente om mij te bezoeken. In de tijd daarna kreeg ik bijbelstudies van hem. Dat was zwaar, want mijn geloofsopvattingen stortten beetje bij beetje in, maar er ontstond ook iets nieuws.
De angst voor mensen was voor mij als een onoverkomelijke berg. Dat vertelde ik aan een oude predikant. Hij zei: „Wie vandaag over je praat, kan morgen dood zijn. Heb je ooit bang geweest voor een dode?“ De bijbelse kijk op de toestand van de doden was voor mij een grote bevrijding. Ik had namelijk geloofd in de horrorverhalen over de hel. Nu besloot ik op de sabbat naar de kerkdienst te gaan. De mensen daar waren zo vriendelijk en liefdevol. De preek was levendig en leerzaam. De kerkdienst was voor mij als een stukje hemel op aarde. Ik wist meteen dat ik terug zou komen. Toch ging ik – vanwege mijn buren – een jaar lang niet alleen op de sabbat naar de gemeente, maar ook op zondag naar de kerk. Maar op een gegeven moment moest ik een beslissing nemen. Na een grote innerlijke strijd was ik, gesteund door de belofte uit Jesaja 41:10, er eindelijk klaar voor. Ik gaf mijn leven aan Jezus Christus en liet me in 1991 dopen. Mijn familie en het hele dorp keerden zich daarna tegen mij. Mijn buurvrouw zag mij plotseling als een heks. Ook vandaag de dag ben ik in haar ogen nog steeds de schuldige als haar kinderen, kleinkinderen of koeien ziek worden. Dat is een vreselijke ervaring. Maar God schenkt mij steeds weer het juiste woord op het juiste moment. Ik mocht ook grote wonderen meemaken. Eerst liet mijn dochter zich dopen, daarna mijn schoondochter, een collega, mijn moeder (op 90-jarige leeftijd) en vorig jaar mijn oudste zoon. Ik kan alleen maar zeggen: „Lof en dank aan de Heer!“ Ik heb in de gemeente veel vrienden en een echt thuis gevonden. Mijn grootste wens is dat ik nog aan veel mensen bijbelstudies mag geven en dat ik hen door de kracht van de Heilige Geest naar Jezus en Zijn waarheid mag leiden.







