BANDIETEN BEKEREN ZICH
Bandieten bekeren zich
Ik heet Ines, ben 14 jaar oud en woon in Venezuela. Mijn vriendin Damaris en ik verkopen christelijke boeken en tijdschriften om ons schoolgeld bij elkaar te krijgen. Een tijdje geleden beleefden we een groot avontuur. We waren op bezoek geweest bij een vrouw die erg geïnteresseerd was in de Bijbel. Ze woonde in een vervallen wijk waar regelmatig mensen worden beroofd en vermoord. Door de Bijbelstudie waren we de tijd helemaal vergeten; het was al donker toen we op weg naar huis gingen.
De omgeving was griezelig. We praatten luid om onze angst te verdringen. Hoewel we wisten dat Jezus bij ons was, hadden we een onbehaaglijk gevoel. Toen zagen we ze voor ons staan – acht of negen donkere gestalten die kaarsrecht op ons afkwamen. Ze hadden gebreide maskers over hun gezicht getrokken en omsingelden ons. We bleven staan. De leider beval: „Vooruit!” Aan de stem hoorden we dat we met jonge kerels te maken hadden. De jongen achter ons trad naar voren en haalde een mes tevoorschijn. „Laat die tas vallen, anders maak ik je af!”, siste hij. Ik liet mijn boekentas op de grond glijden en draaide me naar hem toe. „God houdt van je”, zei ik vriendelijk. Hij was totaal van zijn stuk gebracht. De bendeleider beval: „Terug in de rij!”, en de jongen gehoorzaamde. Ik zag hoe Damaris haar lippen bewoog in een stil gebed, en ook ik bad. Alleen een wonder kon ons redden.
Plotseling voelde ik een drang om deze struikrovers over de liefde van God te vertellen. Ze luisterden een paar zinnen lang, waarna de leider zijn pistool trok. „Houd je mond, of ik schiet je neer.” Ik zei: „Zelfs als je me doodt, moet ik je vertellen dat Jezus van je houdt. Hij wil je leven veranderen.” – „Je bent gek!” schreeuwde hij. „Ik wil je vermoorden, en toch blijf je maar praten.” Toen liet hij zijn pistool zakken en deed een stap achteruit. Zijn stem werd zacht en mild toen hij vroeg: „En jij denkt dat Jezus me kan helpen een nieuw leven te beginnen?” Ik vertelde hoezeer Jezus ieder mens liefheeft, dat Hij naar de aarde kwam om een van ons te worden en de zonden van de mensen op Zich te nemen. Toen vroeg de baas: „Wat moeten we doen? Wat wil Jezus van ons?” Een ander uit de bende schreeuwde: „Wat is er met je aan de hand? Je hebt een heel andere stem! We willen die meisjes vermoorden, ben je dat helemaal vergeten?”, en hij sloeg me in mijn gezicht. Ik voelde de pijn nauwelijks, glimlachte naar hem en zei: „Jezus houdt ook van jou. Hij heeft nog grote plannen met je. Wil je een nieuw leven beginnen?” De jongen dacht even na en zei toen zachtjes: „Ja, dat zou ik graag willen.” We deelden onze tijdschriften uit. Aan de leider gaf ik mijn geliefde Bijbel. Hij hield hem vast alsof het een goudstaaf was. Daarna schudden we iedereen de hand en namen afscheid. Ze lieten ons gaan. Toen we later nog eens omkeken, zagen we net hoe ze hun wapens in het struikgewas gooiden.
Enkele maanden later werden we uitgenodigd voor een seminar dat in een verafgelegen stad werd gehouden. Voor de deur van de kapel zagen we een grote jongeman staan. Ik zei tegen Damaris: „Die heb ik ergens al eens gezien; maar waar?” Inmiddels waren we dichtbij gekomen. Ik begroette hem en zei: „Goedendag, ik heet Ines.” „En ik heet Damaris”, voegde mijn vriendin eraan toe. De jongeman glimlachte. „Ik geloof dat we elkaar al kennen.” Hij haalde een bijbel tevoorschijn en sloeg die open. „Herken je deze nog?” Mijn adem stokte. Dat was toch mijn oude Bijbel, die ik destijds aan de bendeleider had geschonken! Ik kon het nauwelijks geloven. „Je zei destijds dat Jezus mijn leven zou veranderen. Je had gelijk. Jezus heeft een wonder verricht.”
We luisterden geboeid naar het verhaal van José. Hij was diezelfde avond begonnen met het lezen van de Bijbel. Hij zocht naar de vrede en de geborgenheid die hij bij ons had gezien. Hij wilde ook zo’n liefde voor God voelen, die sterker was dan de angst voor de dood. We praatten een paar minuten, waarna hij ons mee naar de kapel nam. Daar zaten de andere acht jonge mannen. Ook zij waren aan een nieuw leven begonnen.
Na de lezing nodigden de jonge mannen ons bij hen thuis uit. We werden hartelijk ontvangen door hun families. De ouders en broers en zussen van deze voormalige straatrovers waren blij dat deze jongens niet langer roofden, stalen en voorbijgangers lastigvielen. Na onze ontmoeting hadden de straatrovers onze tijdschriften aandachtig gelezen en vervolgens de bijbelstudies aangevraagd. Ze hadden de gemeente gevonden en waren alle negen onlangs gedoopt.
Tegenwoordig bekleden deze jonge mannen leidinggevende functies in hun plaatselijke gemeenten. Ze hebben heel wat familieleden en vrienden tot Jezus mogen leiden. We kunnen het nog steeds nauwelijks geloven. Jezus heeft ons destijds moed gegeven, zodat we zonder angst voor de dood over Zijn liefde konden vertellen.







