„IK HAD HET GEVOEL DAT IK NAAR HUIS KWAM’

Norbert
Toen ik 12 was, raakte ik verslaafd aan alcohol. Dat was helemaal niet spectaculair. Ik ben opgegroeid op het platteland, in de buurt van Krefeld. Tijdens de oogst werd er altijd bier gedronken. Voor ons kinderen was dat een teken van volwassenheid. Bovendien was ik dan niet zo verlegen. Op mijn vijftiende was ik ernstig verslaafd, op mijn eenentwintigste sliep ik op straat. In een delirium werd ik naar het ziekenhuis opgenomen. Daarna volgde de ene ontwenningskuur na de andere. In 1981 was ik eindelijk nuchter. Nu moest ik eerst maar eens leren verantwoordelijkheid te nemen. Tot dan toe hadden anderen altijd voor mij gehandeld. Ik was immers dronken.
Na vier jaar — ik was toen net naar Baden-Württemberg verhuisd omdat ik daar werk als machinebankwerker had gevonden — merkte ik dat ik me leeg voelde. Bij de Anonieme Alcoholisten (AA) leerde ik iemand kennen die een goede vriend van me werd. Hij was gelovig en vertelde me: „Er is een God, en die houdt van mensen zoals jij.“ Hij was het ook die me mijn eerste Bijbel gaf. Ik las er wel in, omdat ik dacht dat ik er op de een of andere manier hulp in zou vinden, maar ik begreep er niets van. Op een dag vroeg ik een dominee of hij mij het verhaal van de hoofdman van Kapernaüm wilde uitleggen. „Als u erover nadenkt, komt u er vanzelf wel achter“, zei hij alleen maar en liet me staan.
Ik bad toen vurig tot God: „Als U bestaat, stuur mij dan iemand die mij dit uitlegt.“ Ik wist dat ik zonder Gods hulp niet van de drank af kon blijven. Drie maanden later leerde ik Angelika kennen. Ik nodigde haar uit om de volgende zaterdag, zoals gewoonlijk, met mij naar de weekmarkt te gaan. Maar dat wilde ze niet. In plaats daarvan nodigde ze mij uit voor de kerkdienst. Ze was namelijk adventiste. Ik weet nog hoe ik toen voor het eerst in de gemeente was – en vreselijk naar rook stonk. Maar op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik thuiskwam – net als de verloren zoon. Ik wist: het is oké dat ik hier ben – wat er ook achter me ligt.
In de gemeente waren er toen veel mensen die mijn talloze vragen over de Bijbel met engelachtig geduld beantwoordden. Niemand zei: „Laat me met rust.“ Vooral de sabbatschoolklassen hebben me enorm geholpen. Dat was in 1991/92. Een jaar later lukte het me om te stoppen met roken. Telkens als ik de drang voelde om weer te moeten roken, bad ik: „Heer, geef me alstublieft de kracht om niet meer te hoeven roken.‚ En elke keer gaf Hij me inderdaad die kracht.
Daarna kreeg ik bijbelstudies. Dat was een zware tijd. Ik herinner me nog hoe ik samen met hem en Angelika – we waren inmiddels getrouwd – op de vloer van onze woonkamer knielde en hoe ik God smeekte: „Heer, neem me toch aan!‚ Daarna stond ik op en wist ik: nu wordt het beter. In 1994 besloot ik me te laten dopen. Twee jaar later werden mijn vrouw en ik gevraagd om, naast mijn werk bij de administratie van de politie van Esslingen, het verslavingswerk binnen de vereniging op ons te nemen. En dat doen we nu al 11 jaar. God was mij genadig. Hij heeft mijn gebeden verhoord, mij mijn vrouw gestuurd en mij naar zijn gemeente geleid.







